Door Thomas Heerma van Voss, 13-12-‘11
Beeld: Marlis Sluijter
Toen (The) Game in 2005 in de Heineken Music Hall stond, verliet hij binnen een uur het podium. 'I'm out of songs,' zei hij excuserend. Nu, ruim zes jaar later, is de situatie anders: Game heeft inmiddels vier albums uitgebracht die misschien niet allemaal even goed zijn, maar waarop telkens een paar onbetwiste bangers staan. En die, minstens zo belangrijk, internationaal veel aandacht kregen.
Het is dan ook druk in de Melkweg, waar een penetrante wietlucht hangt en bovenmatig veel rode kledingsstukken zijn te zien. Bij het voorprogramma - enkele zielloze Black Wallstreet-artiesten die niet de moeite nemen instrumentals te gebruiken maar slap meerappen met hun eigen vocalen - wordt er nog lauwtjes gereageerd, maar zodra Game op het podium verschijnt, gaan de handen vanzelf de lucht in. En Game weet hier optimaal van gebruik te maken. Over dikke pianloopjes, opzwepende drums en snerpende bassen vertelt hij op overtuigende wijze over het straatleven in Compton. Zijn kenmerkende schorre stem is daarbij aanvankelijk een krachtig wapen: zelfs bij de meer chaotische nummers als Ricky, is Game goed verstaanbaar en wekt hij een vitale indruk.
Wanneer vervolgens bangers als Compton en Dope Boys worden opgevoerd, lijkt het dan ook een fijne hiphopavond te worden. Want niet alleen is Game een fijne podiumaanwezigheid, zijn crew weet het publiek ook goed te enthousiasmeren. Ook sterk hoe hij afwisselt tussen zijn vier albums: de show wordt nergens nostalgisch of gedateerd, maar toch worden ook de fans die alleen Games vroege werk kennen bij de avond betrokken.
Maar na deze strakke eerste twintig minuten wordt het geheel steeds chaotischer. Aanvankelijk is het nog wel vermakelijk, bijvoorbeeld als een jongetje uit zijn crew een microfoon krijgt en volmondig meedoet met Games (seksuele) teksten. Maar toeval of niet, sindsdien verliest de show wel in rap tempo aan kracht: het continue gespring van Games BWS-collega's begint wat op de zenuwen te werken, terwijl Game zelf zich steeds meer met randzaken bezighoudt. Een rits aan Westcoast-klassiekers, een ode aan 2Pac, een ode aan Biggie, een clichématig drankspelletje, een ode aan Ice Cube, een ode aan Nate Dogg, een oproep aan alle vrouwen om op het podium te komen: we hebben het allemaal al eerder gezien, en ook beter. Bovendien laat de alcohol ook hoorbaar sporen na. Games stem verliest aan kracht, het kost hem steeds meer moeite zijn verses af te maken. Het dieptepunt wordt bereikt bij One Blood: liefst vijf (!) keer wordt dit nummer ingezet, maar telkens eindigt Game na een iets te fanatieke sprong liggend en buiten adem op het podium. En terwijl hij zelf regelmatig om zijn eigen capriolen moet lachen, krijgt hij het niet voor elkaar om ook maar één couplet fatsoenlijk af te maken.
Game wordt veelal geprezen omdat hij de Westcoast nieuw leven in heeft geblazen. Daarom komen er ook zoveel mensen op zijn show af: niet omdat hij vernieuwende muziek maakt, maar omdat hij het oude Westcoast-gevoel in zijn muziek probeert op te roepen. Van zo'n artiest hoeft geen originele show te worden verwacht. Een beat, een fles drank en wat geweerschoten tussendoor: meer is er eigenlijk niet nodig voor Game om een overtuigend optreden te geven. Ook tijdens deze show in de Melkweg bewijst hij die kwaliteit. Maar dat betekent niet dat er verzand kan worden in allerlei clichématige randzaken; gedurende de tweede helft van zijn show komt Game niet verder dan twee, misschien drie volwaardige nummers. Voor de rest blijft hij veel teveel hangen in clichématige namedropping, chaotische intermezzo's en half ingeslikte verses. Het is gek genoeg hetzelfde probleem als op veel van zijn albums naar voren komt: op allemaal is genoeg sterk materiaal te vinden, maar tachtig minuten achter elkaar boeien, daar is Game niet toe in staat. Ook vanavond in de Melkweg niet.
|